Praktijk en compliance
Wanneer is 100 procent hernieuwbare elektriciteit claimbaar?
Een hoger hernieuwbaar aandeel kan de ERE-E waarde van laadinfra, walstroom en terminals sterk verbeteren. Maar 100% hernieuwbare elektriciteit claimen kan alleen als meetdata en bewijsvoering aantonen dat de opgewekte elektriciteit daadwerkelijk aan vervoer is geleverd. Dit artikel legt uit wanneer de 100% route openstaat, waarom gelijktijdigheid per uur belangrijk kan zijn en hoe batterijopslag de onderbouwing beïnvloedt.

Waarom dit scherp ligt
Bij gewone netlevering wordt niet de volledige elektriciteitslevering beloond. Alleen het hernieuwbare deel telt mee. Voor 2026 gebruikt de NEa daarvoor een hernieuwbaar aandeel van 50,5 procent.
Onder specifieke voorwaarden kan een levering geheel of gedeeltelijk als 100 procent hernieuwbare elektriciteit worden behandeld. Dat kan een groot verschil maken in de ERE-E waarde van een laadplein, terminal of walstroomlocatie. De stap naar 100 procent is alleen niet vanzelfsprekend.
Een groen stroomcontract is niet genoeg. De inboeker moet met meetgegevens kunnen aantonen hoeveel hernieuwbare elektriciteit is opgewekt en dat die elektriciteit daadwerkelijk aan vervoer is geleverd. Hernieuwbare elektriciteit die is teruggeleverd aan het net of aan andere installaties op dezelfde aansluiting is geleverd, komt niet in aanmerking voor ERE’s.
Daarom gaat dit onderwerp niet alleen over duurzame inkoop, maar vooral over meting, timing en bewijsvoering.
Netlevering als basis
Voor elektriciteit uit het net wordt gerekend met het Nederlandse aandeel hernieuwbare elektriciteit. Voor 2026 is dat 50,5 procent. Dat is het basisuitgangspunt voor gewone netlevering.
Een hoger hernieuwbaar aandeel is alleen mogelijk voor het deel van de levering waarvoor de hernieuwbare herkomst en de levering aan vervoer goed kunnen worden aangetoond.
De vraag is dus niet simpelweg of er hernieuwbare elektriciteit op of rond de locatie aanwezig is. De vraag is welk deel daarvan aantoonbaar naar vervoer is gegaan.
De kernvraag
De kernvraag bij 100 procent hernieuwbare elektriciteit is:
Is de opgewekte hernieuwbare elektriciteit daadwerkelijk aan vervoer geleverd?
Daarvoor moet de administratie de fysieke en administratieve route van de elektriciteit kunnen dragen. Het gaat om de relatie tussen opwek, meting, levering en bestemming. Als elektriciteit naar andere installaties gaat, wordt teruggeleverd aan het net of niet goed kan worden toegerekend aan vervoer, dan kan dat deel niet als 100 procent hernieuwbaar worden ingeboekt.
Voor gewone netlevering blijft de netfactor gelden. Voor aantoonbaar kwalificerende hernieuwbare levering kan een hoger percentage worden gebruikt, met 100 procent als maximum.
Route 1 met opwek op de leveringslocatie
De eerste route gaat over elektriciteit die op de leveringslocatie zelf uit hernieuwbare bronnen wordt opgewekt. De opwek en levering moeten binnen hetzelfde WOZ-object plaatsvinden.
De elektriciteit moet aan vervoer worden geleverd via een bemeterd leverpunt. Dat kan bijvoorbeeld gaan om laadinfra, walstroom of het laden van verwisselbare voertuigaccu’s, zolang de levering binnen de voorwaarden van de regeling valt.
Stroom die op dezelfde locatie wordt opgewekt, maar naar andere installaties gaat, telt niet mee voor de 100 procent route. Denk aan gebouwverbruik, kantoorverbruik, reefers, werkplaatsen of andere toepassingen die geen levering aan vervoer zijn.
Het feit dat er zonnepanelen of windopwek op de locatie aanwezig zijn, is dus niet genoeg. Het dossier moet kunnen laten zien welk deel van de opgewekte elektriciteit daadwerkelijk aan vervoer is geleverd.
Route 2 met een directe lijn
De tweede route gaat over elektriciteit die op een andere locatie uit hernieuwbare bronnen wordt opgewekt en via een directe lijn naar de leverlocatie wordt gevoerd. Die elektriciteit loopt dan niet via het openbare elektriciteitsnet.
Volgens de NEa moeten de opwek- en leverlocatie onderdeel zijn van verschillende WOZ-objecten. Daarnaast mag slechts één van die locaties een aansluiting op het elektriciteitsnet hebben. Ook mag de eigenaar van de opwekinstallatie niet dezelfde entiteit zijn als de eigenaar van de laadinfrastructuur.
Deze voorwaarden moeten al bij de inrichting van de installatie, de contracten en de eigendomsstructuur worden meegenomen. Als de directe lijn technisch of juridisch niet goed is ingericht, kan later blijken dat deze route niet openstaat.
GvO niet-netlevering en subsidie
Voor beide routes is een Garantie van Oorsprong niet-netlevering nodig. De inboeker moet over een niet-net GvO beschikken ter grootte van de inboeking. Die GvO moet vóór het moment van inboeken zijn overgemaakt naar het account van de NEa.
Daarnaast mag er geen exploitatiesubsidie zijn verkregen voor de elektriciteit die als 100 procent hernieuwbaar wordt ingeboekt. Voor elektriciteit waarvoor wel exploitatiesubsidie is ontvangen, kan de 100 procent route niet worden gebruikt.
Elektriciteit opgewekt uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties of biogas kan volgens de actuele NEa-uitleg niet als 100 procent hernieuwbare elektriciteit worden ingeboekt.
Wanneer gelijktijdigheid binnen een uur moet worden aangetoond
Gelijktijdigheid wordt belangrijk zodra de hernieuwbare opwek niet uitsluitend en rechtstreeks naar vervoer gaat.
De NEa geeft aan dat de inboeker per tijdsinterval van één uur of nauwkeuriger gelijktijdigheid van opwek en levering aan vervoer moet aantonen wanneer de opwekinstallatie ook is aangesloten op andere installaties of wanneer elektriciteit aan het net wordt teruggeleverd.
Dat speelt bijvoorbeeld bij locaties waar zonnepanelen niet alleen laadinfra of walstroom voeden, maar ook gebouwen, werkplaatsen, koelinstallaties, batterijen of andere verbruikers achter dezelfde aansluiting. Het speelt ook wanneer op bepaalde momenten meer hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt dan er op dat moment aan vervoer wordt geleverd.
Jaar- of maandtotalen zijn dan onvoldoende. Een locatie kan over een heel jaar evenveel zonne-energie opwekken als er aan voertuigen of schepen is geleverd, maar dat bewijst nog niet dat die elektriciteit op het juiste moment aan vervoer is geleverd.
Een eenvoudig voorbeeld maakt dat duidelijk. Stel dat een laadplein overdag veel zonne-energie opwekt, maar het grootste deel van het laden ’s nachts plaatsvindt. Op jaarbasis kunnen de hoeveelheden goed lijken te passen. Toch kan de elektriciteit dan niet zomaar volledig als 100 procent hernieuwbaar worden ingeboekt. De inboeker moet per uur of nauwkeuriger kunnen laten zien welk deel van de hernieuwbare opwek op dat moment aan vervoer is geleverd.
Batterijopslag maakt de onderbouwing locatieafhankelijk
Tussentijdse batterijopslag kan onderdeel zijn van de route naar vervoer. De bewijsvoering hangt af van de manier waarop de batterij is aangesloten en gebruikt.
Bij een batterij die niet is aangesloten op het net en niet aan andere installaties levert, is de onderbouwing overzichtelijker. Dan moet vooral worden aangetoond dat hernieuwbare elektriciteit de batterij in ging en later aan vervoer is geleverd.
Wanneer de batterij ook met het net of andere installaties is verbonden, wordt de onderbouwing zwaarder. Dan moet per uur inzichtelijk zijn welk deel van de batterij-inhoud hernieuwbaar is en welk deel daarvan aan vervoer is geleverd. Zonder die onderbouwing kan levering vanuit de batterij terugvallen op de netleveringsroute.
Een batterij kan dus helpen in de energiehuishouding van een locatie, maar maakt de ERE-E bewijsvoering niet automatisch eenvoudiger. De inrichting van de batterij bepaalt welke onderbouwing nodig is.
Waarom dit vooral bij gemengde locaties lastig wordt
Bij een eenvoudige en exclusieve laadlocatie is de bewijsvoering meestal overzichtelijker. De stroom komt binnen, de laadpunten meten de levering en er zijn weinig andere energiestromen.
Bij terminals, walstroomlocaties, logistieke hubs en grotere laadpleinen is dat vaak anders. Daar lopen meerdere stromen door elkaar. Er kan sprake zijn van netlevering, lokale opwek, batterijopslag, walstroom, elektrisch mobiel materieel, laadpunten, gebouwverbruik, reefers en andere installaties achter dezelfde aansluiting.
Juist in die situaties kan een hoger hernieuwbaar aandeel interessant zijn, maar wordt de onderbouwing ook kwetsbaarder. De vraag is dan niet alleen hoeveel elektriciteit er is geleverd, maar welke elektriciteit wanneer is geleverd, aan welke toepassing en met welke bewijspositie.
Wat een dossier moet onderbouwen
Een dossier voor 100 procent hernieuwbare elektriciteit moet meer bevatten dan een groen contract of een duurzaamheidsclaim. De inboeker moet kunnen laten zien hoe de hernieuwbare elektriciteit is opgewekt, hoe die elektriciteit naar het leverpunt is gegaan en welk deel daadwerkelijk aan vervoer is geleverd.
Bij eenvoudige locaties kan dat relatief overzichtelijk zijn. Bij gemengde locaties met netlevering, lokale opwek, batterijopslag en ander verbruik wordt de onderbouwing complexer. Dan zijn onder meer locatiegegevens, meetdata, technische schema’s, GvO’s, subsidie-informatie en tijdsafhankelijke allocatie relevant.
Welke bewijsstukken nodig zijn, hangt af van de inrichting van de locatie. Daarom beoordeelt PYK Power per aansluiting welke route verdedigbaar is, welke data beschikbaar is en waar het dossier nog kwetsbaar is.
Berekening bij 100 procent hernieuwbare elektriciteit
Als een levering volledig kwalificeert als 100 procent hernieuwbare elektriciteit, valt de netfactor weg. De formule wordt dan:
levering [kWh] * 183 [g/MJ] * 3,6 [MJ/kWh] / 1000
Bij 100.000 kWh levert dat indicatief op:
100.000 * 183 * 3,6 / 1000 = 65.880 ERE-E
Ter vergelijking, dezelfde hoeveelheid netlevering in 2026 levert indicatief 33.269,4 ERE-E op. Het verschil is groot. Daarom moet de hogere waarde technisch en administratief goed worden gedragen.
Hoe PYK Power hierbij helpt
PYK Power helpt exploitanten van laadinfra, walstroomlocaties en terminals om de ERE-E potentie van hun elektriciteitsleveringen inzichtelijk en controleerbaar te maken.
Daarbij kijkt PYK Power niet alleen naar het aantal kWh, maar ook naar de meetstructuur, de sectorindeling, de hernieuwbare onderbouwing en de verkoopbaarheid van de ERE-E’s. Waar de data dat toelaat, kan het ERE-E potentieel op sessie- of leveringsniveau inzichtelijk worden gemaakt.
Dat is vooral waardevol bij locaties met meerdere energiestromen. Juist daar bepaalt de kwaliteit van de data en het dossier of een hoger hernieuwbaar aandeel verdedigbaar is.
De formele inboeking blijft afhankelijk van de geldende voorwaarden, de verificatie en de beoordeling van het dossier.
Korte samenvatting
100 procent hernieuwbare elektriciteit kan alleen worden geclaimd voor elektriciteit die aantoonbaar aan vervoer is geleverd. Hernieuwbare elektriciteit die is teruggeleverd aan het net of aan andere installaties op dezelfde aansluiting is geleverd, komt niet in aanmerking.
Gelijktijdigheid moet per uur of nauwkeuriger worden aangetoond wanneer de opwekinstallatie ook op andere installaties is aangesloten of elektriciteit aan het net teruglevert. Bij batterijopslag hangt de bewijsvoering af van de configuratie. Een geïsoleerde batterijroute is eenvoudiger te onderbouwen. Een batterij die ook met het net of ander verbruik is verbonden, vraagt per uur inzicht in de hernieuwbare energiemix.
Voor locaties met meerdere energiestromen is dit geen detail. Het bepaalt of elektriciteit met de netfactor wordt berekend of geheel of gedeeltelijk als 100 procent hernieuwbare elektriciteit kan worden ingeboekt.
Toets uw 100 procent route
PYK Power voert een compacte ERE-E scan uit op locatie, sector, meetketen, data, bewijspositie en mogelijke waarde.